Overslaan en naar de inhoud gaan

GO! Middenschool Halle kiest voor taalplusklas

De GO! Middenschool Halle bouwde de voorbije jaren een sterk taalbeleid uit. Toch merkte het schoolteam dat een groep leerlingen, ondanks voldoende capaciteiten, moeilijk aansluiting vond bij de talige eisen van het secundair onderwijs. Voor die leerlingen ontwikkelde de school, naast de reguliere en de Agora-werking, de taalplusklas.

Een antwoord op een concrete nood

De school merkte een stijgende groep leerlingen met voldoende cognitieve mogelijkheden voor wie taal een barrière vormde om tot leren te komen. Tegelijk ervoeren leerkrachten dat de verschillen binnen de klas steeds groter werden. De school besloot die signalen niet alleen op gevoel te benaderen. Directeur David De Clercq en co-directeur Lieve Van Schepdael brachten leerlinggegevens en resultaten systematisch in kaart. De analyse bevestigde dat een specifieke groep leerlingen extra taalondersteuning nodig had om haar mogelijkheden ten volle te kunnen benutten.

‘We willen elk kind op de juiste plaats krijgen zonder dat taal een drempel vormt om daar te geraken’, vat Lieve samen.

Vanuit die vaststelling ging de school op zoek naar wat voor deze leerlingen het verschil kon maken. Gegevens uit de eigen werking, observaties en ervaringen van leerkrachten werden gecombineerd met externe expertise en inzichten over taalontwikkelend lesgeven. Zo groeide stap voor stap een aanpak die aansluit bij de specifieke schoolcontext.

De taalplusklas: dezelfde verwachtingen, meer taalsteun

In september 2025 ging de taalplusklas van start. De selectie gebeurt zorgvuldig en op basis van verschillende bronnen. Niet één toets bepaalt of een leerling in aanmerking komt. De school combineert resultaten uit verschillende taal- en andere toetsen, observaties en leerlinggegevens om een zo volledig mogelijk beeld te krijgen.

De taalplusklas is een intensief traject waarin leerlingen aan dezelfde leerdoelen werken als hun leeftijdsgenoten en dezelfde toetsen en examens afleggen. De verwachtingen blijven dus hoog. Het verschil zit in de organisatie en in de intensievere taalondersteuning.

Zo krijgen de leerlingen dagelijks een leesuur volgens de LIST-methodiek en extra lestijden om hun taalvaardigheid verder te versterken. Taal is daarbij niet de verantwoordelijkheid van één vak of één leerkracht. Leraren stemmen hun lessen op elkaar af en werken vakoverschrijdend samen. Teksten voor bijvoorbeeld aardrijkskunde of geschiedenis kunnen vooraf in de les Nederlands worden voorbereid, met expliciete aandacht voor vak- en schooltaal.

Taalgericht werken staat in alle lessen centraal. Leerlingen krijgen actieve taalkansen, gerichte taalsteun en leren strategieën om moeilijke teksten steeds zelfstandiger te begrijpen. Contextgericht leren helpt hen om nieuwe woorden, begrippen en vakinhouden beter met elkaar te verbinden.

Onderbouwd kiezen én blijven bijsturen

Onderzoeker Marieke Vanbuel ziet in die aanpak verschillende sterke elementen. De school vertrekt vanuit een concrete nood, onderbouwt die met gegevens en praktijkervaring en zoekt vervolgens gericht naar een passende aanpak. Tegelijk pleit ze voor nuance. Een intensiever en gedeeltelijk apart traject kan voor een specifieke groep leerlingen een meerwaarde bieden, maar het is belangrijk de effecten te blijven opvolgen en kritisch naar de werking te kijken.

Volgens Vanbuel betekent onderbouwd werken dan ook niet dat alles vooraf vastligt. Verandering vraagt dat een school durft uit te proberen, kijkt wat werkt en gaandeweg bijstuurt.

Die houding herkennen David en Lieve in hun eigen traject. De taalplusklas is geen afgewerkt model. De school volgt de resultaten en ervaringen op en verfijnt de werking waar nodig. Dat gebeurde al tijdens het eerste jaar en zal ook de komende jaren nodig blijven.

Samen expertise opbouwen

Bij de uitbouw van de taalplusklas kan het team rekenen op ondersteuning van vzw ‘de Rand’. De ondersteuner organiseert leermomenten, hospiteert in lessen en geeft gerichte feedback en concrete didactische tips.

Volgens Lieve ligt daar een belangrijke succesfactor. Leerkrachten krijgen geen modellen die losstaan van hun klaspraktijk, maar ideeën die ze meteen kunnen uitproberen. Wat werkt, wordt gedeeld met collega’s. Wat niet werkt, wordt bijgestuurd. Zo groeit de expertise niet alleen bij individuele leraren, maar binnen het hele team.

Vooral die samenwerking is belangrijk. ‘Een professionele leergemeenschap waarin leraren materialen en ervaringen delen, dingen durven uitproberen en samen reflecteren, vergroot de kans dat nieuwe praktijken duurzaam ingebed raken’, geeft Vanbuel aan.

Geen eindpunt

De eerste signalen zijn positief. Voor bijna alle leerlingen uit de huidige groep lijkt de doorstroom naar het tweede jaar haalbaar. Tegelijk wil de school leerlingen niet alleen sterker maken in taal, maar hen ook leren hoe ze zelfstandig met taalhindernissen kunnen omgaan.

De school beschouwt de taalplusklas niet als een eindpunt. De werking is een antwoord op een concrete nood binnen de huidige context.

‘Ik hoop dat we de taalplusklas binnen enkele jaren niet meer nodig hebben. Niet omdat de werking geen meerwaarde heeft, maar omdat ik droom van een onderwijscontext waarin leerlingen eerder de taalondersteuning krijgen die ze nodig hebben en taal geen drempel hoeft te worden voor hun verdere schoolloopbaan.’

David De Clercq, directeur