Houding van de coach
1. Open en oordeelloos luisteren
-
Sta open voor de ervaringen en perspectieven van je collega.
-
Vraag door tot je echt begrijpt wat er bedoeld wordt.
-
Laat ruimte voor reflectie zonder direct met oplossingen te komen.
-
Luister zonder te oordelen over wat wel of niet "goed" is.
-
Laat je eigen mening achterwege.
Voorbeeld: Je stelt open vragen en laat stiltes toe zodat je collega zelf tot inzichten kan komen. Je vermijdt reacties zoals “Dat zou ik niet doen” en stelt eerder vragen zoals: “Hoe ervaar je dat?”
2. Gelijkwaardigheid en samenwerking
-
Zie je collega als een expert in zijn of haar vakgebied en niet als een ‘leerling’ die iets moet leren.
-
Werk samen en onderzoek samen wat werkt, in plaats van oplossingen op te leggen.
-
Geef ruimte voor eigen inbreng en ideeën.
Voorbeeld: In plaats van te zeggen: “Je moet meer taalsteun bieden”, vraag je: “Welke vormen van taalsteun denk je dat jouw leerlingen nodig hebben?”
3. Creëer de juiste context voor een goed gesprek
-
Kies een rustige plek en een geschikt moment.
-
Start het gesprek met het benoemen van wederzijdse verwachtingen.
-
Sluit het gesprek af met een vervolgstap.
Voorbeeld: wat hoop je dat dit gesprek oplevert voor jou? Wanneer is dit gesprek voor jou een succes?
4. Geef meer aandacht aan de oplossing dan aan het probleem
-
Richt de focus op de gewenste toekomst
-
Benoem de troeven van je collega
-
Moedig een groeimindset aan
Voorbeeld: vraag niet wat er niet goed gaat, maar vraag wat er gewenst wordt. Vraag niet naar de verklaringen over hoe het probleem is ontstaan, maar vraag hoe de gewenste toekomst eruit ziet.