Coachingsvaardigheden
1. Exploreren
Dit betekent dat je als coach samen met de collega-leerkracht onderzoekt wat de huidige situatie is, welke uitdagingen hij/zij ervaart en welke doelen er zijn. Je stelt open vragen en luistert actief om een goed beeld te krijgen.
Voorbeeld
Coach: "Welke strategieën pas je momenteel toe om taalontwikkeling in je lessen te ondersteunen? Wat werkt goed en waar loop je tegenaan?"
Collega: "Ik probeer leerlingen te laten praten over de leerstof, maar ze blijven erg terughoudend."
Coach: " Zijn er situaties waarin ze wel actiever spreken? Wat denk je dat de oorzaak daarvan is?"
Voorbeeldvragen
-
Wat betekent taalontwikkelend lesgeven voor jou?
-
Welke strategieën pas je momenteel toe om de woordenschat uit te breiden in je lessen?
-
Welke uitdagingen ervaar je hierin?
-
Hoe reageren je leerlingen op activerende of coöperatieve werkvormen?
-
Wanneer was het gebruik van teksten in je les een succes?
-
Wat zou je graag willen verbeteren op dit gebied?
-
Welke rol speelt taal in jouw vak en hoe ga je daar nu mee om?
2. Waarderen en bekrachtigen
Dit houdt in dat je de sterke punten en inspanningen van de collega benadrukt en motiveert om hiermee verder te gaan. Door positieve feedback te geven, vergroot je het zelfvertrouwen en de motivatie.
Voorbeeld
Coach: "Ik vind het mooi om te zien hoe je al bewust bezig bent met het aanleren van vaktaal en moeilijke begrippen in je lessen. Je gebruikt al verschillende activerende werkvormen en dat is een goede basis!"
Voorbeeldvragen
-
Wat denk je dat al goed werkt in je aanpak?
-
Welke succeservaringen heb je al gehad met het aanleren van vaktaal?
-
Wat zijn volgens jou je sterke punten in het begeleiden van taalontwikkeling?
-
Hoe heb je eerder lastige situaties rond woordenschatverwerving aangepakt en opgelost?
-
Wat heb je onlangs gedaan waarvan je denkt: "Dit was een stap in de goede richting"?
-
Hoe kan je je sterke punten nog verder inzetten om je lessen taalkrachtiger te maken?
3. Betrokken confronteren
Hierbij houd je de collega-leerkracht een spiegel voor en benoem je zaken die misschien niet effectief zijn, maar op een respectvolle manier. Dit helpt bij bewustwording en verandering.
Voorbeeld
Coach: "Je gaf aan dat je wilt dat leerlingen meer spreken in de les, maar ik zie dat je vaak zelf lange uitleg geeft. Hoe denk je dat dit invloed heeft op de spreektijd van leerlingen?"
Voorbeeldvragen
-
Je zegt dat je wilt dat leerlingen meer spreken in de les, maar je gebruikt vooral schriftelijke opdrachten. Hoe denk je dat dit elkaar beïnvloedt?
-
Je wilt dat leerlingen vaktaal gebruiken, maar hoe vaak geef je ze expliciet de kans om die woorden actief te oefenen?
-
Hoe weet je zeker dat alle leerlingen de instructie goed begrijpen?
-
Je merkt op dat leerlingen moeite hebben met bepaalde teksten. Hoe vaak modelleer je zelf hoe ze een tekst kunnen aanpakken?
-
Hoe kijk je naar je eigen rol in het stimuleren van taalontwikkeling bij je leerlingen?
-
Welke aannames heb je over de taalvaardigheid van je leerlingen? Kloppen die altijd?
4. Uitdagen en de volgende stap
Dit betekent dat je de collega stimuleert om uit zijn/haar comfortzone te stappen en nieuwe dingen te proberen. Je moedigt aan om ambities na te streven en reikt inspirerende voorbeelden aan.
Voorbeeld
Coach: "Waaraan ga je merken dat je vooruitgang boekt? Wat zijn kleine stappen die je al kan zetten om dichter bij je doel te komen?"
Voorbeeldvragen
-
Wat zou je morgen al kunnen veranderen om een of twee taaldoelen in je les te integreren?
-
Wat zou er gebeuren als je leerlingen meer in duo’s of groepjes laat werken aan opdrachten?
-
Kun je een les ontwerpen waarin je expliciet aandacht besteedt aan vaktaal en woordenschatuitbreiding?
-
Hoe zou je een collega kunnen observeren die al ervaring heeft met taalontwikkelend lesgeven?
-
Wat zou een haalbare stap zijn om taalontwikkelend lesgeven in jouw lessen structureel toe te passen?